Raad van State vernietigt boete wegens vermeende discriminatie op basis van vermogen
woensdag 29 april 2026
In een arrest van 30 maart jl. heeft de Raad van State afdeling bestuursrechtspraak een administratieve geldboete van 800 euro, opgelegd door de Gewestelijke Huisvestingsinspectie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vernietigd. Dit is van belang aangezien de boete werd opgelegd wegens een gangbare praktijk, namelijk de vraag van eigenaars dat het beschikbare inkomen van kandidaat-huurders minsten 1/3e van de huurprijs bedraagt.
De verzoeker, eigenaar van een appartement in Sint Lambrechts Woluwe, had het pand via een vastgoedmakelaars te huur aangeboden. Een kandidaat huurder diende klacht in bij de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsinspectie (DGHI), nadat zijn kandidatuur werd geweigerd omdat zijn netto inkomen niet drie keer het huurbedrag zou bedragen. Na onderzoek legde de DIRL aan de verhuurders een administratieve boete op wegens directe discriminatie op grond van vermogen, in toepassing van artikel 194 van de Brusselse Huisvestingscode. Deze sanctie werd in beroep bevestigd door de gedelegeerd ambtenaar. De verhuurders vorderden daarop de vernietiging van deze beslissing bij de Raad van State.
Ter herinnering: in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest mag een verhuurder, na het bezoek van het goed, informatie opvragen over het bedrag — of een raming — van de financiële middelen van een kandidaat-huurder om diens vermogen om de huur en de lasten te betalen te controleren. Bovendien is de eigenaar vrij om de kandidaat te kiezen die de meeste waarborg hiertoe biedt.
De Raad van State, die werd bevraagd over deze zogenoemde “1/3e” regel, stelde vast dat noch de wet, noch de voorbereidende werken als dusdanig de toepassing van deze gebruikelijke praktijk verbieden. Het nastreven van het beperken van het risico op wanbetaling vormt een legitiem doel, waarbij een inkomensvereiste van driemaal de huurprijs niet automatisch en op zich een disproportioneel of discriminerend middel vormt. De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing onvoldoende aantoont dat de gehanteerde inkomensvereiste de grenzen van de proportionaliteit overschrijdt en ten onrechte besluit dat het toepassen van de 1/3e-regel neerkomt op directe discriminatie op grond van vermogen. De beslissing van de gedelegeerd ambtenaar, waarbij een administratieve geldboete van 800 euro werd opgelegd wegens discriminatie bij de toegang tot huisvesting, wordt aldus vernietigd.